Draaien aan de juiste knoppen bij duurzame inzetbaarheid

Wat is de invloed van leefstijl en arbeidsomstandigheden zoals werkdruk, fysieke arbeid en waardering op inzetbaarheid? Welke ingrepen en aanpakken dragen bij aan de verbetering daarvan en waar kun je beter geen tijd aan besteden? Vragen waar Suzan Robroek, universitair docent bij het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, zich uitgebreid mee bezig houdt. “One size fits all” werkt niet.

Werken aan duurzame inzetbaarheid is relevanter dan ooit. De pensioengerechtigde leeftijd schuift geleidelijk op. Ondertussen buigen we ons over de vraag: is langer doorwerken voor iedereen even goed vol te houden? “De statistieken laten zien dat dit niet iedereen lukt”, zegt Suzan Robroek. “Daarbij valt op dat er grote verschillen zijn in deelname aan het arbeidsproces. Opleidingsniveau en het hebben van gezondheidsproblemen spelen daarin bijvoorbeeld een rol. Mensen met een lagere sociaaleconomische positie en mensen met een arbeidshandicap zijn duidelijk kwetsbaarder.” Dit maakt aandacht voor arbeidsomstandigheden en begeleiding – juist ook voor de kwetsbare groepen – extra belangrijk.’ 

Bepaal de echte risicofactoren
Hoe pak je dat aan? “Veel organisaties zijn bezig met inzetbaarheid, zonder echt in beeld te hebben hoe vaak bepaalde risicofactoren voorkomen en hoe die de inzetbaarheid beïnvloeden. Wat ik zelf bijvoorbeeld een interessant gegeven vind, is dat factoren die met levensstijl te maken hebben zoals roken, gebrek aan beweging en onvoldoende fruit en groente, veel minder impact hebben op wat iemand op het werk aankan dan een aantal werkfactoren. Zo liggen een verstoorde werk-privébalans, gebrek aan waardering en regelmogelijkheden, fysiek werk, een hoge werkdruk veel vaker ten grondslag aan verminderde inzetbaarheid. Gratis fruit voor je medewerkers is hartstikke mooi maar als je ondertussen dus niks doet aan bijvoorbeeld de regelmogelijkheden, neem je daar de potentiële problemen niet mee weg.”
PMO: startpunt voor verbetering

Een goed instrument om in kaart te brengen hoe het met de gezondheid, de arbeidsomstandigheden en het welbevinden van medewerkers gesteld is, vindt Suzan het preventief medisch onderzoek (PMO). “Als daar voldoende medewerkers aan deelnemen, levert dat werkgevers een helder en compleet beeld op van wat de belangrijkste gezondheidsrisico’s zijn en hoe vaak die voorkomen. Bovendien krijgen deelnemers aan een PMO op individueel niveau terugkoppeling over hun resultaten. Zowel voor de organisatie als de medewerker bied je op die manier dus aanknopingspunten voor interventies. Dat is ook een belang van het PMO: het is een startpunt voor verbetering. Juist het vervolg is bepalend.”

Preventiemedewerker krijgt betere positie
Welke interventies wel en niet effectief zijn, hangt onder andere af van de risicofactoren die spelen en van de medewerkers die ermee te maken hebben. “Er is niet één magische aanpak voor elk probleem”, zegt Suzan. “Bij inzetbaarheid speelt een complex van veel onderliggende factoren. Ik adviseer werkgevers daarom om medewerkers een divers aanbod aan interventies te bieden, zodat ze de keuze hebben of ze bijvoorbeeld alleen of in groepsverband aan de slag gaan. Ook is het raadzaam te kiezen voor intensieve begeleiding in plaats van eenmalig advies; uit onderzoek blijkt dat dit meer effect heeft. En dat is toch uiteindelijk het doel.”

Meer weten?
Wil je meer weten over duurzame inzetbaarheid of advies over de inzet van een PMO? Neem contact op met de casemanagers of Helena op 085 2731000.